De volkskermis in Brussel-Zuid in de miezerregen, doet me direct denken aan het treurtrips-fotoboek dat mijn zusje naast haar bed heeft liggen. De lelijkheid, het verval en het überhaupt-nooit-echt-in-goed-staat-geweest-zijn, hebben een esthetiek an sich. Ik omarm de ruwe lelijkheid van de verlaten partytenten met lange houten tafels en wankele banken. Leeg op een paar oudere mannen na, met bolle buiken en halve literglazen pils. De year-2000 stijl van de attracties: de gedateerde 7D x-perience movement simulation, de lachspiegelhal die de trend heeft gemist en zichzelf nog niet heeft omgedoopt tot selfie paradise. Het is een triestig, schaamteloos reëel stukje menselijkheid. Het was mijn ex, een social designer, die me leerde om dit soort plekken en sferen te waarderen vanuit een soort antropologisch-esthetisch oogpunt. Het schreeuwende plastic, de chaos aan slechte popremixes overschreeuwd door semi-fanatieke attractiebazen, de volstrekte overprikkeling aan letterlijke toeters en bellen – dingdingding! Winwinwin! Altijd prijs, altijd met een glimmend stuk eendagsplastic naar huis. Het verveelde pubermeisje achter de touwtrekkraam. Alle kinderen constant heen en weer gekatapulteerd tussen jengelen en juichen. Een goedkope façade die de banaliteit van alledag eerder benadrukt dan verhult. De veelheid van dit alles heeft me van kinds af aan een gevoel van verdriet gegeven. In alle herrie, visuele over-stimulering, indringende geuren in alle soorten, smaken alleen in extremiteiten. Mierzoete suikerspin, vet druipende oliebollen, de bitter prikkende sigarettenrook van zo’n beetje iedereen om me heen. Starend naar de plakkerige colavlekken op de stalen vlonders van de hyperactieve botsauto’s, heb ik me eigenlijk altijd eenzaam gevoeld. Te midden van de menigte overvallen door een leegte.

Het verdriet van de veelheid heeft langzaam maar zeker concretere betekenissen gekregen. Als ik mezelf er enigszins voor openstel, zie ik in de roze blinkende prijzenmuur de plastic eilanden in de oceaan, stikkende schildpadden, afgeknelde vinnen. In de draaiende-schuddende-twistende wagentjes vol druk flitsende lampjes zie ik ijskappen in zee storten, straten overstromen. In de harde bassen van kutmuziek hoor ik vluchtende vogels, hun vleugels vermoeid flapperend, uitgeblust, nergens een uitweg. Ik kan die deurtjes beter dicht laten en dus concentreer ik me op vorm en compositie. De lijnen die ik zie, de kleuren en patronen, de buitenkant. Mijn omgeving als toneelbeeld. De evocatieve kracht van deze enscenering is enorm. Als décor voor een scène over eenzaamheid, over leegte of verveling of doelloosheid, zou het fantastisch sterk zijn. Vanuit dat oogpunt neem ik mijn omgeving tot me. De dramaturgische kracht van de realiteit, terwijl ik de echte werkelijkheid met lichte wanhoop op afstand houd.