In het hostel waar ik verblijf in Marseille, een oud kasteeltje op een heuvel aan de rand van de stad, verblijft een vrouw van 84 jaar. Ze slaapt in een tentje op één van de vijf kampeerplekken in de tuin van het hostel. Ik ontmoette haar vorig jaar al, toen ze net als ik aanschoof bij een spontane discussie over hoe de feministische beweging in Frankrijk zich kenmerkt ten opzichte van andere landen. Die discussie vond plaats tussen twee mannelijke twintigers uit het Noordoosten van Frankrijk en één jonge vrouw uit Italië – én dus deze oudere dame, die haar verrassend moderne licht op het thema scheen. Het gesprek vond alleen plaats in het Frans, wat ik toen in geen 6 jaar had gesproken, dus erg veel had ik niet in te brengen. Gisteren in de ontbijtzaal kreeg ik alsnog de kans om “mami”, zoals één van de andere gasten haar steevast noemt, te ontmoeten in meer dan alleen vriendelijke knikjes en glimlachjes. Ze zat vol verhalen over de reizigers die ze had ontmoet, hier en in andere hostels.

Mijn eigen solo-reislust wordt geprikkeld door mensen zoals zij. Als tiener luisterde ik al vol ontzag naar de verhalen van mijn ouders over hun kennis Hera, een jonge vrouw die in haar eentje de hele wereld overfietst – ik geloof dat ze toen op weg was naar China – en onderweg overnacht op de banken en vloeren die haar worden aangeboden. Ze schrijft reisverslagen en geeft lezingen over haar ontmoetingen onderweg, de gesprekken die ontstaan wanneer ze bij mensen aanschuift om te eten, en wat ze allemaal observeert vanaf haar fiets. Een paar jaar geleden, toen ik mijn afstudeerproject organiseerde in Barcelona, kwam ik per toeval samen te wonen met Aude, een dertiger uit Frankrijk die op een dag haar rugzak pakte en besloot naar Rome te trekken. En vervolgens, toen ze daar wel weer klaar mee was, naar Barcelona, waar ze toen ik haar ontmoette bezig was met taallessen en het zoeken van een baan, omdat ze niet per sé een plan had van wat ze exact wilde doen, maar wel wist dat ze in deze stad voorlopig tevreden was.

De overeenkomst tussen deze vrouwen, behalve het overduidelijke, is dat zij geen haast hebben. Zij laten de dagen op zich af komen en geven onverwachtse ontmoetingen en gebeurtenissen alle tijd om zich te ontvouwen. Ze zitten niet passief te wachten – als geen ander nemen ze het heft in eigen hand, maar zijn niet gefixeerd op een doel of schema. Nu ik zelf zo traag en planloos op reis ben, merk ik hoe enorm veel ruimte er kan ontstaan wanneer je niet te ver vooruit kijkt. In tijden ben ik niet zo creatief en geïnspireerd geweest; juist omdat ik niet wordt opgejaagd door een schema. Begrijp me niet verkeerd, ik zit vaak ‘niks’ te doen en word ook echt weleens onrustig als ik te lang geen productief doel voor ogen heb. Maar dat ‘niks’ leidt ertoe dat ik ‘ja’ kan zeggen op álles. Ik hap gierig toe op ontmoetingen en kansen die me normaal misschien niet eens zouden interesseren, maar die ik nu, vanuit mijn basis van alleen-zijn en niets-doen, ontvang als op zijn minst een welkom tijdverdrijf. Ik besef elke dag dat dit een luxe is en ben, ook op mijn eenzame of verveelde momenten, op de eerste plaats dankbaar dat ik het me kan veroorloven, dat ik (nog) niet elke dag bezig hoef te zijn met overleven en rekeningen betalen. Ik realiseer me ook meer dan ooit, nu ik het zelf mee maakt, hoe deze houding van radicale openheid botst met het dagelijks leven dat van me wordt verwacht in de maatschappij. Al reizend lukt het me relatief makkelijk mezelf van die druk te bevrijden. En toch, zelfs wanneer ik niets hoef, voel ik het schuren. Soms doe ik expres een hele middag over twee kilometer lopen naar een cafeetje waar ik toevallig over heb gehoord, onderweg stoppend voor foto’s, overpeinzingen, het lezen van een boek of het zoeken naar een broodje voor de lunch. En hoewel dat vertragen heerlijk is, voelt het ook alsof ik in een andere bubbel leef dan de mensen die om me heen verder razen. Wanneer (áls) iemand tegen me praat, moet ik echt weer even neerdalen in de huidige wereld en haar bijbehorende ritme. Terwijl ik mijn denken versnel om het gesprek te kunnen bijbenen, merk ik hoeveel details er uit mijn observatie worden gefilterd omdat ik ze niet snel genoeg kan verwerken.

De mooiste foto’s van deze reis maakte ik enkel in mijn hoofd. Er zijn momenten geweest van zulke traagheid, dat ik me details herinner die ik normaal niet eens zie. De gerafelde randjes van de posters aan de wand van het bruine cafeetje, de houding van het meisje in de deuropening, de ritmische wijze waarop twee mannen gaan zitten, toch weer opstaan, een meter opschuiven en weer gaan zitten. De zeldzame momentjes dat ik in Parijs een prettige (niet-pis)geur opsnoof. De mini-stroompjes die ik zelf creëer tussen mijn enkels wanneer ik watertrappel in zee. Maar meer nog dan zintuigelijk indrukken blijven me sferen bij. Wanneer ik voldoende vertraag, voel ik wat voor mensen ik om me heen heb, in wat voor ritme en energie zij zich bevinden, hoe dat matcht of botst met de mijne. Soms betekent dat dat ik qua uiterlijk volledig opga in de groep hipsters op het terras, maar me eigenlijk meer in sync voel met de half-ingedutte daklozen ernaast – al is ons vertraagde niets-doen van een totaal andere orde.